Indonesië I:
20 November 2012 | Indonesië, Lombok
Vooraf waren we al enigszins geinformeerd over de regels en gebruiken van Indonesië. Wapentuig was ten strengste verboden en er staat bij overtreding zware gevangenisstraffen op; vooral van belang voor de diverse Amerikaanse boten, die de keuze hadden uit inleveren of overboord smijten. En wellicht een enkeling zal het spul wel ergens diep in de boot hebben begraven.
Waar voorheen de Indonesische regering de touwtjes van het besturen centraal vanuit Jakarta bediende en de locale besturen alleen was toegestaan te buigen en ja te knikken is met de benoeming van een nieuwe president enkele jaren geleden de decentralisatie ingezet. Met als gevolg dat elk zichzelf respecterend eiland eigen regels en voorschriften ging uitvaardigen, met alle verschillen vandien tussen de diverse regio’s. Daarbij gevoegd de voorliefde voor papier en stempels en zie daar: De bureaucratie ten top.
En – zo werd ons voorgehouden – welke problemen je ook tegenkomt – blijf vooral glimlachen.
Sinds Bali werd getroffen door een bomaanslag, waarbij gebruik werd gemaakt van een jerrican vol benzine, is het verboden om met een jerrican over straat te lopen. Tja, hoe kunnen we dan diesel tanken. Er zijn veel windstille gebieden hier waardoor je veel moet motoren. Tankbootjes kennen ze hier niet en steigers met een tankstation ook niet.
Maar eens zien hoe we dat later kunnen oplossen.
Onze eerste ervaring met het papierwerk kregen we in Kupang op het Indonesische deel van het eiland Timor, zo’n 480 mijl en 3 ½ dag varen vanaf Darwin, Australië. Er lagen al een aantal schepen te wachten om in te klaren en wij hadden ons al verzoend met het idee dat we pas de volgende dag aan land konden gaan. Maar ineens ... ongeveer een uurtje nadat we ons hadden gemeld ... kwam er een klein bootje onze kant opzetten met drie personen aan boord en met veel papieren in de handen. We verwelkomden ze met “selamat datang” (welkom) en nodigden ze met een brede glimlach uit om aan boord te komen. Allengs kwamen er rissen papieren naar voren en we zetten ons schrap. “Oef”, dachten we, “nu gaat het beginnen”.
Tot onze stomme verbazing waren de meeste papieren al ingevuld (we hadden geen vreemde ziektes ... dat klopt, we hadden geen vervaarlijke wapens ... dat klopt, en we hadden niets aan te geven ... dat klopt ook). Ze vroegen om ons scheepsstempel, maar die hadden we niet. Even fronsden ze hun wenkbrauwen, want dat waren ze niet gewend, maar toen mocht ik ook mijn handtekening zetten. Grof geteld ongeveer 40 keer.
Binnen 5 minuten was al het papierwerk achter de rug en werden we uitgenodigd om aan de wal het galadiner van de gouveneur bij te wonen.
Ongelooflijk, ze weten wel van uitpakken. We kregen een aantal toespraken om de oren en een aantal prachtige dansuitvoeringen. Geweldig. En tot slot – na een handje van de
gouveneur – konden we aanschuiven achter een bord met het lekkerste eten. Dit alles in het teken van het bevorderen van het toerisme. Wij – en met ons de andere zeilers uit Darwin – werden daarbij gezien als ambassadeurs. Dus daar gaat ie dan: “Komt allen naar Kupang, de hoofdstad van het Indonesische deel van het eiland Timor”. En wij hebben ons van onze taak gekweten.
’s Avonds laat kwamen we terug aan boord, verkwikt en aanmerkelijk aangedikt en vol enthousiasme van wat we die avond hadden gezien. Wel wetende dat achter de wanden van het feestterrein we waarschijnlijk een andere stad zullen treffen.
’s Morgens om half vijf werden we met een schok wakker. De imam – zeg maar de pastoor van de moslims – riep luidskeels de gelovigen op om voor hun eerste gebed in de moskee te komen. De imam gebruikte daarvoor vier luidsprekers, die naar de vier windstreken was gericht. Niet zomaar luidsprekers, ik schat dat elke luidspreker goed was voor minstens 250 Watt. Gedurende de hele week dat we in Kupang waren werden we vijf keer per dag onthaald met het gezang ... nou ja, het was meer gemurmel en een aaneenschakelijking van valse noten. Maar tenslotte was het voor de moslims ramadan en dit zou nog zo’n veertien dagen duren. Dus we hadden goede hoop dat dit van tijdelijke aard zou zijn. Maar al na twee dagen was het afgelopen. Wat een rust. We keken weer met genoegen naar de moskee met daar bovenop de grote maar stille luidsprekers. Wat een genot.
De volgende dag werd er een grote ladder tegen de muur gezet, een manneke klom omhoog en we zagen hem met wat draden aan de weer. En jawel hoor, twee uur later galmden de luidsprekers weer als nooit tevoren. We hebben onszelf altijd voorgehouden om respect te tonen voor de gebruiken en gewoontes van de lokale bevolking. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik me met moeite kon bedwingen om de Amerikaanse boten af te schuimen op zoek naar een verborgen wapen, om daarmee met veel plezier de draden weer flink aan flarden te schieten. Maar gelukkig, ik kon me beheersen.
Veel later kwamen we in Lombok aan, een eiland naast Bali. Een prachtige baai lag voor ons, een paar dorpjes lagen verscholen achter een gordel van palmbomen. Een breed en goudgeel strand vormde de grens van water en land. We waren er inmiddels achter gekomen dat het gekraai van de iman niet afhankelijk was de ramadan, maar het gehele jaar door bleef dit doorgaan. We hadden echter goede hoop dat hier de iman ons hier niet ’s morgens vroeg wakker zou laten schrikken vanwege de afstand naar de dorpjes. . Helaas, ze hadden hier zo’n super luidspreker op het strand gezet en ook hier werden 5 keer per dag de vogels van hun takken geblazen.
De dag na aankomst in Kupang gingen we op stap om de stad te verkennen. De dinghy werd door een paar boatboys voor vier dollar op de kant gezet (nee, over het kapitalistische systeem behoef je ze hier niets uit te leggen). We liepen door een nauw straatje, draaiden de bocht om ... en ineens waren we in een andere wereld. Auto’s en kleine vrachtwagentjes kwamen ons luid toeterend voorbij. Daartussendoor zwermden honderden scooters, brommers en lichte motorfietsen met jong en oud kriskras overal doorheen. Veel met helm maar veel ook zonder. Er hing een penetrante geur van benzine en uitlaatgassen. We keken verbaasd naar het straatverkeer ... en zij keken verbaasd naar ons, veel blanken waren ze waarschijnlijk hier niet gewend. Overal hoorden we kinderen “ hello misses” en “hello mister” roepen. Heel veel kleine winkeltjes omzoomden de
straat. De meest vreemdsoortige assortimenten hielden ze erop na, de schoenen lagen naast de zak met rijst en daarnaast weer een paar laarzen etc.. Veel snuisterijen lagen breed door elkaar uitgestald.
Verderop liepen we langs een paar kraampjes, een soort glazen bakkerskarretjes, waarachter op een klein pitje allerlei lokale snacks werden klaargemaakt. Kleine loempia’s, pisang goreng (gebakken banaan), en allerlei balletjes met diverse vullingen. Tjonge, dat was erg lekker.
We liepen verder. Elk straatje was vol verkeer en het wandelverkeer had moeite om zich tussen het verkeer door te dringen. De stoepranden waren smal en ruim voorzien van gaten, waaronder het open riool zichtbaar was. Veel plastic en ander afval lag overal op straat verspreid. Maar de mensen bekommerden zich er niet om. Overal zag je vriendelijke en breed glimlachende mensen.
Tegen lunchtijd gingen we een lokaal tentje in, aan twee kanten helemaal open en daarbinnen waren drie lange houten tafels opgesteld met daarachter houten banken. We gingen zitten en probeerden het menu te lezen, dat achter tegen de wand was geplakt. Gelukkig hadden we ons woordenboekje bij ons en na wat gepuzzel deden we bij “de mama” onze bestelling. Wat we voorgeschoteld kregen was toch weer een verrassing. Een andere lokale gast volgde onze discussie, kwam naast ons zitten en begon in half Indonesisch, half Engels uit te leggen wat er op het bord lag. Ik moet zeggen, de Indonesiërs weten wel wat koken is. En voor een prijs waarvoor in Nederland nog geen drol wordt gedraaid.
Op onze verdere tocht door de stad kwamen we heel regelmatig hoge smalle houten stellages tegen, meestal drie of vier smalle plankjes hoog en daarop glazen literflessen geplaatst met wat wij dachten palmwijn. Totdat een scooter bij zo’n stellage stopte, zijn tankdop open draaide en zo’n fles leeggoot in de tank. Daarna betaalde hij 4500 roepia, dit is ongeveer 40 eurocent. Het kwartje van Kok hadden ze hier blijkbaar nog niet uitgevonden. Overal in Indonesie kwamen we dit soort benzinestations tegen.
Maar hoe kwamen wij nu aan onze diesel? Juist ja, gewoon met onze jerricans. Want het centrale thema hier in Indonesie blijkt toch wel te zijn:
“a lot of things are impossible, but everything can be arranged”. (veel dingen zijn onmogelijk maar er is een hoop te regelen).
Tja, het is maar dat je het weet.
Tot de volgende keer,
Ans & Gerjan
-
20 November 2012 - 14:20
Alie Wassenaar:
Hallo Ans en Gerjan,
Dat was weer even bijna letterlijk smullen van dit nieuwe verhaal! Gerjan, je schrijft weer heel beeldend.
Wat een belevenissen! Dan is het hier maar een dooie boel. Heel veel plezier daar en see you t.z.t.
Groetjes van Alie (en Jetze > weet nog van niets, want is nog niet thuis)
-
20 November 2012 - 15:44
Rob Hamwijk:
Dag Ans en Gerjan,
Ik zie het helemaal voor me. Je verhaal geeft de sfeer daar goed weer. Je begrijpt nu waarschijnlijk waarom ik er graag kom. Lombok en de Gili's zijn touristiser. Geniet van de stillere plekjes.
Groet
Rob -
20 November 2012 - 17:42
Mirjan Agricola:
Hallo fam. Kraan
Mooi verhaal, lees het deze keer heel aandachtig.
Wij gaan in feb. 2013 die kant op, naar Bali misschien zijn jullie er dan ook nog.
Nog veel plezier.
Gr. ut Lunbert -
21 November 2012 - 08:37
Marianne:
weer een smakelijk verhaal. ik ruik de geur van pinda pinda, lekka lekka...
nooit begreep ik waarom ik de geur van pindasaus zo elk vond en er een thuis gevoel van kreeg. later begrepen dat geuren zola g bij je blijven als herinnering. ik dus aan mijn jnge kinderjaren in medan. goede reis verder en geniet ze!
Reageer op dit reisverslag
Je kunt nu ook Smileys gebruiken. Via de toolbar, toetsenbord of door eerst : te typen en dan een woord bijvoorbeeld :smiley